Jankers en kanjers, maagden en hoeren, Griekse vaders: Waarom de vrouw als object behandeld moet worden

Jankers en kanjers, maagden en hoeren, Griekse vaders: Waarom de vrouw als object behandeld moet worden

Door: Joyce Pijnenburg, MA

joyce.pijnenburg@uva.nl

http://nl.linkedin.com/pub/joyce-pijnenburg/71/40b/392/

 

In haar veelbesproken stuk in NRC[1] stelt Paulien Derwort dat er een zogenaamde “echte vrouw” is of in ieder geval kan zijn, en dat die echte vrouw een “echte man” wil, een man die uit het Nederlandse culturele landschap aan het verdwijnen is. Ook stelt ze dat die echte vrouw, als ze die echte man voor zich wil winnen, maar eens moet ophouden zo te overdrijven met de emancipatie. Zoals Willem Bosch ook duidelijk maakt in een respons[2] in de Volkskrant – respons dat mij raakte –, lijkt Derwort niet op de hoogte te zijn van het feit dat de emancipatie van vrouwen in Nederland zeker niet voltrokken is: vrouwen worden wel degelijk nog steeds als stereotypisch object benaderd en als zulks onderdrukt. Dat we die onderdrukking niet altijd opmerken, is precies wat haar in stand houdt.

“Echte mannen” en “echte vrouwen”: zulke termen leiden terug naar de aloude reductie van mannen en vrouwen tot respectievelijk jankers of kanjers en maagden of hoeren. Categoriën van objectificatie, die het het subject onmogelijk maken de mens achter het object te zien. Gelukkig specificeert Derwort echter dat ze “een kerel met manieren” op het oog heeft. Dat klinkt al een stuk beter, want een beschaafde kerel lijkt me niet aan onderdrukking te willen doen. (Als voorbeeld van beschaving denk ik daarom behalve aan Bosch ook aan Jackson Katz, die een prachtige Ted Talk gaf over het opmerken van onderdrukking en “men’s issues”.[3]) Hij weigert de notie van een zwak geslacht te accepteren, hij kleineert noch reduceert een vrouw. Met andere woorden, een kerel met manieren maakt een vrouw niet tot object. Of, nee, zo ver wil ik niet gaan – in tegendeel. Aan de hand van enkele oude Grieken, vaders van ons ideaal van beschaving, hierbij een pleidooi voor de objectificatie van de vrouw.

In de Homerische Odyssee komen twee archetypische vrouwen voor die vergelijkbaar zijn met de heilige en de hoer. Aan de ene kant is daar Penelope, de deugdzame en liefhebbende vrouw, de wijze moeder, het vertrek- en eindpunt van de reis van Odysseus; en aan de andere Calypso, tovenares en verleidster, die zelf verlangens heeft en die de held voor eeuwig bij zich wil houden op haar tropische, overvloedige eiland, en hem hiertoe in haar ban houdt. Als we ze als vrouwelijke archetypen beschouwen zijn het twee verschijningsvormen van de vrouw als zodanig, en is het vanzelfsprekend dat elke vrouw beide belichaamt. Maar als we ze hanteren als werkelijke categorieën, of zelfs stereotypen, waartoe werkelijke vrouwen gereduceerd kunnen worden, dan gaat er iets mis. Een dergelijke reductie gebeurt in relaties op straat, op de werkvloer en thuis; je zou kunnen zeggen: in de buiten- en in de binnenwereld. Maar het ligt niet zo eenvoudig dat voor deze reductie het subject – ik doel hier vooral op de man, die de vrouw als object neemt – geheel en al persoonlijk verantwoordelijk gesteld moet worden, want we hebben te maken met een diep cultureel patroon. En behalve dat patroon, en mede verantwoordelijk voor de instandhouding ervan, is er een psychologische oorsprong voor zulke reductie, verweven met verlangens en erotiek.

In psychologische projectie van deze types wordt de vrouw teruggebracht tot één van beide – heilige of hoer, Penelope of Calypso –, tengevolge van de externalisering van een gespletenheid of dualiteit van het subject zelf. Het is een tweespalt in de eigen persoon, die het voor vele heteroseksuele mannen in liefdesrelaties moeilijk maakt zijn vrouw of vriendin, die hij ziet als zijn thuishaven, tegelijkertijd te ervaren als puur object van verlangens. Enerzijds is er het zelfbeeld als ordelijke, rechtvaardige en wijs handelende persoon en anderzijds een afgezonderde figuur, die niet in dit beeld lijkt te passen en die we ‘de verlanger’ kunnen noemen. De beschaafde ofwel psychisch en maatschappelijk geïntegreerde persona wordt steeds geconfronteerd met de begeertes van de verlanger, begeertes die hem lijken te gronde te willen richten, of die in ieder geval per definitie het nieuwe najagen en dus het oude (en vertrouwde) ondermijnen.

Juist omdat de heilige, wijze, beschaafde raadgeefster, Penelope, volstrekt met (het zelfbeeld van) het mannelijke subject geassimileerd is, in hem opgenomen is als veilig bezit, kan zij niet langer het object zijn van zijn begeerte. Dus spreekt de stereotypische Calypso verlangens in hem aan waarvoor hij in zijn relatie met Penelope, in zijn binnenwereld, geen ruimte heeft gelaten en ook geen woorden heeft. Verlangens die alleen gevat kunnen worden in de steeds nog uit te vinden taal van het nieuwe of het andere. Zijn begeerte vindt slechts verlossing bij wat hij niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk buitenshuis vindt: bij wat traditioneel gezien werd als de hoer, bij het object dat uitsluitend bestaat ter bevrijding van heimelijke verlangens.

Of misschien toch bij zijn vrouw en raadgeefster? Misschien, maar dan wel die ‘heel andere’ verschijningsvorm van haar. Veel mannen, die de twee kanten van zichzelf niet zien als twee complementaire aspecten van de eigen persoon en dientengevolge vrouwen indelen in twee kampen, kunnen hun vriendin tóch wel beschouwen als zowel Penelope als Calypso. Maar dit betekent niet dat de vriendin dan ook beschouwd wordt als een eenheid, een mysterieuze combinatie van beide types tegelijkertijd. Ze kunnen niet tegelijk bestaan. Voor deze mannen doet zich een gedaantewisseling voor in de slaapkamer – of waar de vervulling van verlangens zich ook maar afspeelt – waarbij de betrouwbare Haven van Zekerheid tot Sirene van het Onbekende verwordt. Waarbij de maagd de hoer wordt.

Een dergelijke dubbele stereotypering vinden we niet alleen bij mannen; ook vrouwen stereotyperen zichzelf. Vorig jaar las ik in een tijdschrift een artikel over moederschap en borstvoeding, waarin één van de geïnterviewde moeders onthulde, dat zij haar baby de borst niet gaf, omdat zij haar borsten associeerde “met seks”. Haar ‘seksuele functie’ en haar rol van moeder mochten dus niets met elkaar te maken hebben. In onze maatschappij heeft de vrouw de vrijheid te kiezen waarvoor zij haar borsten inzet, en dat is een heel groot goed. Alleen is in een geval zoals dit de keuze gebaseerd op de veronachtzaming van het feit dat deze lichaamsdelen de onlosmakelijke samenhang van het principe van thuishaven en van object van verlangen heel mooi en zinvol kunnen symboliseren. Hoe dit ook zij, voor de vrouw in kwestie is de associatie tussen baby en “seks” blijkbaar volstrekt ongepast. Om het bestaan van haar baby te verklaren moeten we ons dus beroepen op het concept van de onbevlekte ontvangenis. In ieder geval niet op “seks”.

Inderdaad zien we dezelfde thema’s gereflecteerd in de verdinglijking van “seks”, herkenbaar in wat de seksualisering van de samenleving genoemd wordt. “Seks”, lange tijd geassocieerd met het verbodene, wordt nu, vooral in de media, aan ons gepresenteerd als spannend speeltje. Wat van ons beschaafde zelf eigenlijk niet mag (het toegeven aan de verlokkingen van het vlees) doen we nu lekker en openlijk en op vele manieren toch; het ooit door de beschaving opgesloten beest is losgeslagen en bespringt ons van alle kanten om de lofzang te zingen op lust en genot. Op deze manier blijft “seks” duidelijk omlijnd als het gemarginaliseerde fenomeen, een omkaderd gegeven dat eerst niet bij het leven mocht horen, en er nu aan toe wordt gevoegd, alsof het om iets extra’s gaat. Het verlangen op zich blijft op veilige afstand van het dagelijks leven…

Maar misschien gaat het ten diepste helemaal niet om iets dat alleen maar spannend is en genietbaar in contrast met wat beschaafd is. Misschien gaat het hier eigenlijk over een absoluut principe waarvan wijzelf, hoe we het ook wenden of keren, altijd dienaar zijn en dat die eredienst waard is. Over onze diepste drijfveer, over wat maakt dat we willen scheppen, over de schepping zelf. Als we moderne analytische psychologen willen geloven, maar al veel eerder de antieke Grieken, is die drijfveer namelijk Eros, het principe van het Verlangen als zodanig.

Het is deze Eros, die verduidelijkt waarom de vrouw als object beschouwd moet worden. Verlangens bestaan uitsluitend en per definitie niet voor het eigene, hetgeen het subject toebehoort, maar voor het object: het andere. Niet voor wat je al geassimileerd hebt, maar voor het nieuwe. En elk bijzonder handelen, elk scheppen, initieert in verlangen, in Eros.

Nog één keer zou ik willen verwijzen naar een oude Griek. Plato stelde dat het verlangen in haar meest zuivere vorm zich richt op het in principe onbereikbare en onassimileerbare, het Andere. Hij noemde het ook wel het Schone, het Goede, en het Ware. En dat interactie met waardige (en als zodanig erkende) afbeeldingen van dit Object in de praktijk steeds geboorte geeft aan het Nieuwe, omdat bewondering voor en verlangen naar iemand maakt dat we het beste in onszelf naar voren willen brengen, verlangend gezien te worden en wel in een goed licht. Volgens Plato is het Eros die ons betere mensen maakt, want in ons verlangen naar een object (afbeelding van het Object) voelen wij onszelf ook gezien als object, door ons object, dat net zoals wij een Heilig of beschaafd innerlijk heeft dat subject is. Wetende dat we object zijn voor iets zoals onszelf, streven we ernaar een meer waardige afbeelding te worden. Een object dat zo mooi is, zo goed, en zo waar, dat het voor een subject dat een werkelijke ontmoeting aan wil gaan, onmogelijk is het als incarnatie van zijn zinnelijke begeertes te behandelen en al even ondenkbaar het volledig te assimileren tot oud en vertrouwd deel van zichzelf, rib van Adam.

In het dagelijks leven zijn we allemaal objecten voor elkaar. Dat is een simpel gegeven, volgend uit de noodzakelijke scheiding die tussen individuen bestaat of althans ervaren wordt. Voor elkaar zijn we een ander, zijn we de Ander. Ieder ander individu is in zekere, en belangrijke, zin een voorbeeld van het niet-ik, van het Object zelf. Als we stereotypes steeds opschorten, dan wordt duidelijk dat we allemaal een eenheid van tegenstellingen zijn: ware subjecten vanuit onszelf, en ware objecten voor de ander. Geen kanjers, geen jankers, geen maagden en geen hoeren, wél ware, ja, “echte”, mannen en vrouwen.

De wonderlijke mogelijkheid, dat het ‘object’ – in de besproken voorbeelden de vrouw in de ogen van vooral de man, maar hetzelfde geldt natuurlijk voor de man als object, en in zekere zin voor elke ander als object – in essentie en in zijn geheel tegelijkertijd zowel Calypso is als Penelope; zowel verleidster als thuishaven; en zowel aanstichter als matrix van creativiteit, lijkt niet alleen veel mannen, maar ook de meeste vrouwen zelf te mooi om waar te zijn. Maar dit is de werkelijke aard van de Ander, van de ander als object in de zin van afbeelding van het absolute Object: paradox, eenheid van tegenstellingen, begin- en eindpunt van onze verlangens.

 

 

 


[1] http://www.nrc.nl/nieuws/2013/10/04/vrouwen-willen-echte-man-geen-knaap-met-v-hals/

[2] http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3522803/2013/10/07/Een-beetje-kerel-kan-het-hebben-Ich-bin-ein-Feminist.dhtml

[3] http://www.ted.com/talks/jackson_katz_violence_against_women_it_s_a_men_s_issue.html


Fatal error: Call to undefined function adrotate_group() in /home/p17385/domains/worldforthinkers.com/public_html/wp-content/themes/EarthlyTouch/single.php on line 57