Het filosofisch consult, methodiek en denkgereedschappen

Het filosofisch consult, methodiek en denkgereedschappen

Filosofisch consulenten zijn al geruime tijd verdeeld ten aanzien van de vraag of het hanteren van een methodiek voor het filosofisch consulentschap gewenst is. Vorig jaar viel over deze kwestie in het wetenschappelijk artikel “Filosofisch consulentschap: zwarte doos van pandora?”, geschreven door Katrien Schaubroeck en Jens De Vleminck, het volgende te lezen:

“Het filosofisch consulentschap kan geen lang noch een gelukkig leven beschoren zijn wanneer het pretendeert psychotherapie te zijn, en evenmin wanneer het de banden met de academische filosofie doorknipt. De reëelste dreiging voor zijn voortbestaan gaat echter momenteel uit van de ongegronde afkeer die vele filosofisch consulenten koesteren voor methodische systematisering en structurele verankering in een maatschappelijk erkende en herkenbare sector. Enkel wanneer dit manco verder kan worden verholpen, kan het filosofisch consulentschap een welkome aanvulling bieden op het bestaande therapie- en counselingaanbod, alleen nog maar gelet op de lange wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg.”.[1]

Dat filosofisch consulenten niet de pretentie moeten willen hebben zich op het terrein van de psychotherapie te begeven blijkt nogmaals uit een andere passage in hetzelfde artikel:

“Vanuit de psychotherapiesector zelf komt de laatste tijd meer en meer het signaal dat cliënten zich op consultatie aanbieden met ‘normale’ menselijke problemen, existentiële vragen of alledaags algemeen-menselijk ongeluk, waarbij psychotherapie niet of nauwelijks helpt.”.

Kortom, wil een filosofisch consulent aan de buitenwacht kunnen uitleggen en rechtvaardigen wat hij/zij doet, lijkt het hanteren van richtlijnen of een methodiek op het eerste gezicht inderdaad onontkoombaar. Of anders gesteld, om het filosofisch consulentschap tot een volwaardig en maatschappelijk geaccepteerd beroep met een duidelijk gezicht te laten uitgroeien, lijkt het gebruik van een methodiek een vereiste. Maar is dat ook zo? Hebben filosofisch consulenten, die zich niet in willen laten met methodische systematisering (zonder op de stoel van de psycholoog terecht te komen) toch niet het gelijk aan hun kant? Laten we proberen deze kwestie verder te doordenken aan de hand van een boek dat ontstaan is in de praktijk en denkgereedschappen aanreikt om ‘alledaagse’ problematiek op filosofische wijze te benaderen.

In het boek Denkgereedschap. Een filosofische onderhoudsbeurt (2010) van Paul Wouters wordt niet zozeer ingegaan op de grote filosofische vraagstukken, maar is gekozen voor een ‘methodische invalshoek’ ten aanzien van de ‘kleine vraagstukken’ uit het menselijk leven (p. 20). De auteur presenteert de lezer een zevental denkgereedschappen die ieder hun eigen na- en voordelen hebben en op gepaste momenten kunnen worden ingezet. Deze denkgereedschappen zijn terug te voeren op de grote stromingen die de filosofische traditie rijk is. Zo kan men bijvoorbeeld gebruik maken van de metaforische ‘winkelhaak’ die geënt is op het transcendentaal denken of van de zogenoemde ‘decoupeerzaag’ die gebaseerd is op de analytische wijsbegeerte. (De wijze waarop Paul Wouters in zijn boek te werk gaat om deze denkgereedschappen uiteen te zetten zal hier verder onbesproken blijven.)

In de filosofische consultatiepraktijk staat het denken van de bezoeker centraal en probeert de consulent zijn kennis en kunde daarvoor in te zetten. Wanneer een bezoeker bij een filosofisch consulent aanklopt met een bepaald vraagstuk uit zijn of haar leven, lijkt alles wat de filosofische traditie in huis heeft beschikbaar te mogen worden gesteld.[2] De filosofische denkgereedschappen van Paul Wouters zijn voor het filosofisch consult uitstekend bruikbaar. Ze lijken, als verzameling genomen en als zodanig ingezet, in overeenstemming te zijn met de waardeneutrale houding die een consulent tijdens een consult in acht dient te nemen. Dus of de ‘schroefboormachine’ (hermeneutiek), de ‘hamer-en-beitel’ (wezensdenken), de ‘koevoet’ (dialectiek) of allerlei aangepaste gereedschappen in stelling worden gebracht, zolang de bezoeker van een praktijk naar zijn idee verder wordt geholpen met zijn denkproces, lijkt in beginsel alles geoorloofd. Immers, het denkproces van de bezoeker is leidend in het filosofisch consult.

Maar hoe liggen de zaken ten aanzien van de filosofie c.q. grondbeginselen van de filosofische consultatiepraktijk zelf? Kan daar ook op elk moment en op elke plaats naar eigen believen worden gesnoept uit de voorraadkast van de filosofie? Of anders geformuleerd, gegeven het feit dat de filosofische consultatiepraktijk van origine geworteld is in de filosofische traditie met haar vele gezichten, betekent dat automatisch dat men zich als een relativist kan opstellen, wars van elke vorm van methodische systematisering?[3]

Voor een filosofisch consulent met een postmodernistische inslag ten aanzien van de grondbeginselen van het filosofisch consulentschap, zullen deze vragen waarschijnlijk met ‘ja’ moeten worden beantwoord. De filosofie van zijn of haar consultatiepraktijk zal vermoedelijk nauw aansluiten bij het denkgereedschap ‘de werkende mens’ (deconstructivisme) van Paul Wouters. Kenmerkend voor de opvattingen van de postmodernistische denker is dat alle kennis gezien moet worden als ‘slechts’ een verhaal en dat het onderscheid tussen fictie en non-fictie in feite niet te maken is. Of de verhalen nu gaan over logica, atomen, cellen, Sneeuwwitje, praten met bomen of een vaderloze Jezus, allemaal hebben ze dezelfde status. De traditionele grote verhalen, die lange tijd richtinggevend waren, hebben het veld moeten ruimen. De zoektocht naar waarheid, waarden en rechtvaardiging lijkt vanuit postmodernistisch perspectief elke betekenis te hebben verloren.

Het gevaar dat nu dreigt is dat wanneer de postmodernistisch georiënteerde filosofisch consulent gevraagd wordt door ‘buitenstaanders’ waarvoor hij/zij zich precies laat betalen, hij/zij door de eigen relativistische houding niet serieus wordt genomen. Immers, de rechtvaardiging van de filosofische consultatiepraktijk, geschoeid op postmodernistische leest, staat door haar eigen uitgangspositie zwaar onder druk. De grondbeginselen van zo’n praktijk kunnen nl. worden afgedaan als zijnde slechts particulier en individueel bepaald zonder de mogelijkheid tot intersubjectieve toetsing. Ook ontbreekt elke mogelijkheid om kwaliteitscriteria op te stellen voor de diensten die door dit type consulent worden aangeboden. In feite kan langs deze weg iedereen, met alle negatieve consequenties van dien, zich filosofisch consulent noemen, ongeacht zijn of haar vorming, ervaring en scholing. Wil het filosofisch consulentschap als vak serieus genomen kunnen worden hebben filosofen, die op dit terrein actief zijn, zich dat ten volle te realiseren. Het hebben van een beroepsregister bij de VFP is in dit kader een bijzonder waardevol instrument dat gekoesterd dient te worden.[4]

Rest er niets anders dan te pleiten voor één ultieme methode en één grondbeginsel waaraan iedere consulent zich moet committeren?  Nee, absoluut niet. Er kunnen zonder enig probleem verschillende typen filosofische consultatiepraktijken met geheel eigen methoden naast elkaar bestaan. De eis die wel gesteld lijkt te mogen worden is dat volledig duidelijk is (voor de bezoekers) wat er in zo’n praktijk precies gebeurt, hoe en waarom. Zo kunnen mensen met ‘kleine levensproblemen’ zelf kiezen of ze naar een praktijk gaan met metaforisch en kort door de bocht een ‘koevoet’, een ‘decoupeerzaag’ of een ‘hamer-en-beitel’ boven de deur. (Allerlei combinaties zijn natuurlijk ook denkbaar.) Bezoekers zullen, al dan niet (goed) geïnformeerd over deze verschillen, zelf moeten ontdekken en bepalen welke praktijk het beste bij hen (of hun vraagstellingen) past. Vermoedelijk zullen bezoekers, die niet eerder met filosofie of met filosofisch consulenten in aanraking zijn gekomen, de diverse gereedschappen niet eens herkennen. Dat is ook helemaal niet erg. Waar het om gaat is dat filosofische consultatiepraktijken een duidelijk (maatschappelijk) profiel kunnen laten zien en dat ze op hun pretenties, expertise en activiteiten, indien nodig, aangesproken kunnen worden.

Uiteindelijk zal het gereedschap (of combinaties daarvan) dat boven de deur van een praktijk hangt ook aangeven welk gereedschap de desbetreffende filosofisch consulent het meest eigen is. Dit gereedschap zal vermoedelijk het meest doeltreffend ingezet kunnen worden tijdens het gesprek met de bezoeker. Enige specialisatie hoeft de filosofisch consulent dus niet vreemd te zijn ondanks de waardeneutrale houding die in beginsel aangenomen wordt door de consulent tijdens een consult.

De enige praktijk die principieel ter discussie staat, althans, wil het filosofisch consulentschap een serieuze kans op duurzame (maatschappelijke) erkenning hebben, is de consultatiepraktijk die op postmodernistische en/of relativistische wijze ‘gefundeerd’ is. Men zou zelfs de vraag kunnen stellen of hier wel sprake is van een praktijk aangezien de stabiele waarde van het filosofisch consulentschap als ‘verhaal’ door haar eigen uitgangspositie wordt ondergraven.[5]

Helaas is de situatie momenteel zo dat slechts één uitgewerkte methodiek voorhanden is voor de filosofisch consulent, nl. het filosofisch consulentschap volgens de Aristonide methodiek. Deze methodiek is ontwikkeld door de Groningse filosoof dr. Eite P. Veening, één van de pioniers van het filosofisch consulentschap in Nederland. Kenmerkend voor de Aristonide methodiek is het grote respect voor de unieke intellectuele leefwereld van de klant en het gebruik van denkgereedschappen als kennis-, waarderings- en praktische puzzels. Kennispuzzels betreffen vragen als ‘Wat is waar?’, ‘Wat is echt gebeurd?’ etc. Waarheid is bij deze vragen het criterium. Waarderingspuzzels betreffen vragen als ‘Wat is goed om te doen of te laten?’, ‘Hoe moet ik handelen en waarom?’ etc. Goedheid is hier het criterium. Praktische puzzels betreffen vragen als ‘Hoe pak ik het aan?’, ‘Hoe realiseer ik dat …..?’ etc. Hier is handigheid het criterium.[6] Het zal duidelijk zijn dat het doordenken van de kennis- en waarderingspuzzels, puur filosofisch gezien, het meeste werk vraagt. Al geruime tijd zijn er filosofisch consulenten die de Aristonide methodiek hanteren (en zich verenigd hebben in Stichting de HoofdZaken[7] ).

Misschien is het tijd om iets concreter en praktischer te worden over het gebruik van het onderscheid tussen kennis- en waarderingspuzzels als denkgereedschap in de Aristonide methodiek. Ter illustratie volgt er nu een tekst van dr. Eite P. Veening naar aanleiding van een vraag die centraal zou kunnen (hebben ge)staan tijdens een filosofisch consult[8] alsook speelt in een breder maatschappelijk verband:

Zijn hoofddoekjes (bij moslima’s) een emancipatiemiddel?

Hoe zou vanuit een ‘Aristonide’ nuchterheid en distantie over deze kwestie worden nagedacht?

Laten we wel wezen: het gaat hier om een waarderingspuzzel vermomd als een kennispuzzel.
Het lijkt een vraag in de vorm van: zijn dolfijnen zoogdieren? Behoren ‘hoofddoekjes’ tot de verzameling van ‘emancipatiemiddelen’?
Maar een waarderingsaspect is onmiskenbaar: emancipatie is goed, emancipatiemiddelen zijn daarom ook goed want middelen tot een goed doel; als hoofddoekjes daartoe behoren zijn ze goed en anders niet. Want als ze niet emancipatoir zijn, dan zijn ze (dus??) onderdrukkend en slecht!

Het lijkt me een soort vraag die beter ‘ontvraagd’ dan beantwoord kan worden….
Niet alleen omdat de kwesties van kennis en waardering wel erg vervlochten zijn, maar ook omdat de vraag in deze vorm een antwoord in termen van ja of nee suggereert en dus een wat men noemt ‘categorische’ vorm heeft.
Nog even naar die dolfijnen terug: zijn dolfijnen zoogdieren? Ja, alle dolfijnen overal ter wereld zijn zoogdieren. Geen uitzondering mogelijk. Zijn hoofddoekjes een emancipatiemiddel? Zijn ALLE hoofddoekjes OVERAL ter wereld een emancipatiemiddel? Dat wordt dwaas, want van dat textiel op een vrouwenhoofd zal zeker geen automatische emancipatoire werking uit gaan.

Eigenlijk zou zo’n vraag in deze vorm weggehoond moeten worden. Wie zulke vragen serieus wil stellen diskwalificeert zich als deelnemer aan het debat. Wie op zulke vragen een antwoord wil hebben of geven kan beter suikerzakjes gaan sparen.

Vanuit een Aristonide gezichtspunt (en dat kan ruimer: vanuit een nuchter en redelijk gezichtspunt) kan de vraag hoogstens luiden: zijn er contexten waarin het dragen van een hoofddoek emancipatoir kan werken?
Dat dragen-an-sich is immers niets relevants; het gaat om semiotiek. Dat dragen van een hoofddoek is een teken, het verwijst naar iets anders. Het verwijst in specifieke sociale contexten naar specifieke betekenissen.
De vraag wordt dan: kunnen die betekenissen ooit emancipatoir zijn? Of kunnen die betekenissen alleen maar anti-emancipatoir en dus onderdrukkend zijn?
Laten we de semiotiek serieus nemen: betekenissen liggen nooit vast in het teken zelf besloten, maar groeien en fluctueren en variëren in ‘betekenaars’ en contexten.

Terug naar de kwestie. De vraag suggereert dat er zaken bestaan die ‘an sich’ wel of die geen emancipatiemiddel ZIJN; zoals dolfijnen al dan niet zoogdieren ZIJN. Emancipatie lijkt mij een uiterst complex concept dat niet naïef gebruikt kan worden (op straffe van dwaasheid…).

Wie oordeelt of iets emancipatoir is? Daarvoor staan groepen in de rij; allemaal zelfgemaakte deskundigheidspretenties. Aristonide denkers zitten daar niet bij. Bij medische diagnoses is expertise van vakmensen helder (natuurlijk niet altijd bij alle, maar toch…) ; bij sociale en normatieve diagnoses zoals emancipatie zeker niet.

Een serieuze vraag zou kunnen worden: is het mogelijk om op een integere wijze, dus geloofwaardig, van mening te zijn dat het zelf dragen van een hoofddoek bijdraagt aan de eigen emancipatie?
Ik denk dat we daar niet te snel over moeten oordelen en dat hier het ‘hermeneutisch grondrecht’ moet gelden: als mensen dat van zichzelf vinden en hun eigen gedrag zo interpreteren, dan moeten we ze maar geloven of op z’n minst respecteren.

De andere vraag is natuurlijk: kan een hoofddoek dragen ook als onderdrukkend worden ervaren en dus als contra-emancipatoir? Ook daarop is het antwoord simpel: Ja! Dat kan.

Conclusie: de vraag is eventueel om te vormen tot een serieuze, maar lastige: is de kans op een onderdrukkende en anti-emancipatoire werking van het dragen van hoofddoekjes in onze maatschappij zo groot dat er een verbod op zou mogen of zelfs moeten komen?
Ik denk dat die kans zo slecht te schatten is en ook zo persoonlijk verschillend zal zijn dat er geen wettelijke maatregel mee te rechtvaardigen is.”.[9]

Tot zover de illustratie van de inzet van het onderscheid tussen kennis- en waarderingspuzzels als denkgereedschap. Deze casus laat overigens mooi zien hoe vanuit methodische grondbeginselen (ten aanzien van het filosofisch consulentschap) gekomen kan worden tot een waardeneutrale conclusie op het niveau van de dialoog (tijdens een filosofisch consult). Vragen kunnen ‘ontvraagd’ worden en leiden tot nieuwe vragen die niet automatisch met een ‘ja’, een ‘nee’, ‘goed’ of ‘fout’ (kunnen en hoeven te) worden beantwoord. Misschien is het rechtvaardigen van een maatregel ten aanzien van het (niet) dragen van hoofddoekjes niet haalbaar, het rechtvaardigen van het doen en laten van een filosofisch consulent is dat daarentegen wel.

Het is meer dan wenselijk, zo luidt de eindconclusie van dit artikel, dat het onderscheid tussen waardeneutraliteit tijdens consulten en het waardenrelativisme, aangaande de grondbeginselen van het filosofisch consulentschap, breed wordt erkend. De methodische identiteit van een consultatiepraktijk dient helder, eenduidig en intersubjectief bekritiseerbaar te zijn. Alleen zo kan, in overeenstemming met het artikel van Katrien Schaubroeck en Jens De Vleminck, het filosofisch consulentschap een gewenste toevoeging zijn aan de huidige therapie- en counselingmogelijkheden. Het zou een gemiste kans zijn als het mooie en waardevolle beroep van filosofisch consulent daadwerkelijk zou verworden tot een zwarte doos van pandora.[10]

 

 

Literatuur

Schaubroeck, K. en De Vleminck, J. (2011) “Filosofisch consulentschap: zwarte doos van pandora?” in: Tijdschrift voor Filosofie, 73/2011, pp. 307-340. Uitgeverij Peeters: Leuven.

 

Veening, E.P. (2006) Filosofische consultatie volgens de Aristonide methodiek 9 (2e druk, 1e druk verschenen in 2002). Uitgave van Stichting De HoofdZaken: Groningen.

 

Veening, E.P. (2011) “Zijn hoofddoekjes (bij moslima’s) een emancipatiemiddel?” op: http://hoofdzakenblog.wordpress.com/ .

 

Wouters, P. (2010) Denkgereedschap 2.0. Een filosofische onderhoudsbeurt. (Eerste druk verschenen in 1999.) Lemniscaat: Rotterdam.

 



[1] Tijdschrift voor Filosofie, 73/2011, pp. 307-340

[2] Het gaat er niet om tijdens consulten allerlei namen van filosofen en stromingen te laten vallen maar om de reeds ontwikkelde denksporen, vorm gekregen in de traditie, actief te gebruiken. Het systematisch negeren van bestaande ideeën betekent dat tijdens een consult allerlei wielen opnieuw moeten worden uitgevonden met alle (financiële) investeringen van dien. (Overigens, het bezit van een academische graad in de wijsbegeerte biedt een zekere garantie dat de consulent in staat is een wijsgerige houding aan te nemen en over voldoende kennis van de filosofische traditie beschikt. Het is aantoonbaar dat er sprake is van een zekere expertise bij de consulent.)

[3] De vragen die hier worden gesteld bevinden zich dus op metaniveau ten opzichte van de dialoog tussen de consulent en de bezoeker van een praktijk.

[4] De vorming en opleidingseisen die gesteld worden voor opname in dit register zijn in ieder geval helder geformuleerd. De uitkomst van de discussie over het al dan niet gebruiken van een methodiek voor het filosofisch consulentschap, kan op termijn misschien leiden tot aanpassing van de toelatingscriteria.

[5] Deze vraag lijkt net zo legitiem als de vraag of de deconstructivist Jacques Derrida (1930-2004) wel een echte filosoof is.

[6] De locatie waar de filosofisch consulent en de bezoeker van de praktijk werkzaam zijn is wereld 3 in de driewereldentheorie van Karl Popper. De wereld waar psychotherapeuten zich primair op richten is Poppers wereld 2. De Aristonide methodiek biedt een heldere manier om het onderscheid tussen het werk van een filosofisch consulent en het werk van een psychotherapeut aan te brengen. Dit onderscheid brengt de waarde van beide beroepsgroepen in beeld.

[7] Deze stichting, mede opgericht door Veening, is “ ….  een organisatie van een landelijke groep filosofisch consulenten die op een vergelijkbare manier hun praktijk uitoefenen en die gezamenlijk investeren in de kwaliteit van hun werk. In de aangesloten praktijken (de deelnemers) staan filosofische consulten aan klanten (personen, groepen of organisaties) centraal. Andere vormen van filosofiebeoefening, zoals lezingen, cursussen en socratische gesprekken, vallen niet binnen onze organisatie al worden die wel vanuit een deel van de aangesloten praktijken aangeboden.” (http://www.hoofdzaken.org/). De agenda van Stichting de HoofdZaken is erop gericht om het filosofisch consulentschap zowel bij andere filosofisch consulenten onder de aandacht te brengen alsook het grote publiek te informeren over de diensten die worden aangeboden door de leden. De (nieuwe) website, presentaties, demonstraties etc. vormen hierbij de basis. Daarnaast hopen de leden van deze stichting dat er een inspirerende werking uitgaat van dit samenwerkingsverband mede om het filosofisch consulentschap verder te professionaliseren. Voor meer informatie over Stichting de HoofdZaken: dr. André de Vries (voorzitter), Parkstraat 34-4, 6828 JK, Arnhem, 026-4428470, vries.de.andre@planet.nl .

[8] Neem bijvoorbeeld de situatie waarbij een moslima bij een filosofisch consulent aanklopt met de vraag of ze er goed aandoet om een hoofddoekje te dragen en daar eens met een vakdenker van gedachten over wil wisselen.

[9] Deze tekst is gepubliceerd op http://hoofdzakenblog.wordpress.com/ .

[10] Met dank aan dr. Reinskje Talhout en drs. Frank Vandendries voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.


Fatal error: Call to undefined function adrotate_group() in /home/p17385/domains/worldforthinkers.com/public_html/wp-content/themes/EarthlyTouch/single.php on line 57