Bestaat de publieke ruimte (nog), en zo ja, hoe gaan we hiermee om?

Bestaat de publieke ruimte (nog), en zo ja, hoe gaan we hiermee om?

Binnenkort wordt het nieuwe blog van Stichting de HoofdZaken actief. Op dit blog zullen artikelen te lezen zijn over maatschappelijke vraagstukken bekeken vanuit het Aristonide perspectief. Hier volgt alvast een voorproefje (auteur: dr. André de Vries).

 

 

Inleiding

Nederlanders schijnen bekend te staan om hun horkerigheid en lompheid. Hoffelijkheid en voorkomendheid worden door Nederlanders steeds meer als flauwekul gezien en terzijde geschoven. Sterker nog, we gaan prat op onze zogenoemde ‘directheid’ in relatie tot onze medemens. In het buitenland worden Nederlanders herkend door hun lawaai, hun luidruchtige gesprekken en hun krijsende en rondrennende kinderen, zo is regelmatig te lezen en te horen. In de Volkskrant van zaterdag 7 mei 2011 werd in een artikel, dat gewijd was aan de aard van de Nederlander, op enigszins ‘vermakelijke’ wijze geschreven: “Bovendien manifesteert de Nederlandse lompheid zich bij uitstek als het warm is en hij in zijn korte broek de stad in gaat om een biertje te drinken. Na een tijdje komt er geen zinnig woord meer uit, en aan het einde van de avond staat hij brallend in de gracht te pissen.”. Verhuftering en maatschappelijke verruwing lijken sterk toe te nemen. De vraag of er nog een scheidslijn bestaat of ervaren wordt tussen (het gedrag in) de huiselijke kring en (het gedrag in) de publieke ruimte lijkt gerechtvaardigd. En als deze scheidslijn (nog) bestaat of ervaren wordt, wat doen we dan met de gescheiden delen?

Filosofische analyse

De vraag of de publieke ruimte (nog) bestaat vraagt om een nadere beschrijving van wat we met een publieke ruimte bedoelen. Laten we om te beginnen eerst een aantal verschillende ruimten onderscheiden:

1)      op fysiek niveau erkennen we, al dan niet wettelijk, dat er gebieden zijn (bijv. woonhuizen) die als privé kunnen worden gezien. Veel normen en waarden worden door de ‘eigenaren’ van deze gebieden bepaald. (Er zijn ook geboden en verboden, geregeld door de wet, die ook binnen deze gebieden van kracht zijn.) De publieke ruimte, als fysiek fenomeen, wordt gekenmerkt door het feit dat iedereen in fysiek opzicht zich in die ruimte kan en mag ophouden. Echter, de wettelijke waarden en normen gelden in deze ruimte voor iedereen en zijn in Nederland langs democratische weg tot stand gekomen. Hoewel elke fysieke ruimte, mits groot genoeg, publiekelijk toegankelijk is voor menselijke lichamen, wordt de toegang ertoe geregeld door sociale en juridische structuren. Ter illustratie; of je met een brandende sigaret een woonhuis in mag lopen wordt bepaald door de desbetreffende huiseigenaar. Het mogen betreden van openbare gelegenheden zoals stations, café’s etc. met een brandende sigaret op je lip wordt door de wetgever bepaald.

2)      de beleving of ervaring van een ruimte die als privé wordt bestempeld is anders dan de beleving van een ruimte die voor iedereen is bedoeld. Dit onderscheid in beleving verdwijnt op het moment dat de fysieke scheiding tussen privé en publiek, welke sociaal en juridisch bepaald is, ook niet meer bestaat. De beleving of ervaring als zodanig is overigens op individueel niveau geheel particulier en niet publiekelijk toegankelijk. Het blije, vrije gevoel en onbeschrijflijk genot dat beleefd wordt bij het ‘brallend pissen in de gracht’ wordt alleen opgedaan door de desbetreffende wildplasser. Belevingen en ervaringen beslaan een geheel eigen (metaforische) ruimte die losstaat van de fysieke ruimte.

3)      a) het denken over het onderscheid tussen fysieke ruimten, die als privé of publiekelijk betiteld worden, komt tot uitdrukking in wettelijke en juridische documenten en handelingen maar daarnaast ook in normatieve opvattingen. Deze normatieve opvattingen liggen niet vast en komen tot uitdrukking in ons dagelijks doen en laten. Neem nu het volgende voorbeeld. Mobiel telefoneren terwijl je door een medewerker in een winkel geholpen wordt is wettelijk niet verboden maar wordt nog door een deel van de bevolking onbeschoft gevonden. Over het binnenshuis telefoneren terwijl je met familie bent wordt anders gedacht. Wettelijke, juridische en normatieve overpeinzingen t.a.v. het onderscheid tussen privé en publiek terrein (fysiek) zijn zelf voor iedereen toegankelijk en vormen als zodanig tezamen een (metaforische) publieke ruimte. Ideëen, theorieën etc. zijn weliswaar abstract maar voor iedereen beschikbaar.

b) wanneer er nagedacht wordt over onze beleving van de fysieke ruimten komen er ook de nodige waarderingen en normeringen om de hoek kijken. Zo kan iemand het goed vinden dat hij een prettig gevoel krijgt wanneer hij in de bus opstaat voor een oude dame. Neutrale moraliteit is natuurlijk ook mogelijk. Zo kan iemand geen mening hebben over het feit dat het hem koud laat of een oude dame al dan niet moet staan in de bus. In ieder geval lijkt de rol van de wetgever en jurist op dit terrein volledig uitgespeeld.

(  c) we kunnen ook nog eens nadenken over de wijze waarop we denken over waarderingen, normativiteit etc. Zo mogen sommige theorieën, gedachten, uitspraken etc., al dan niet op wettelijke of juridische gronden, niet in de openbaarheid gebracht worden. Een voorbeeld hiervan is dat politieagenten een bepaald gezag hebben (of is het hadden?) en op basis van hun functie niet beledigd mogen worden.)

Het ‘denken’ dat beschreven is onder de punten b en c bestaat als zodanig in de (metaforische) publieke ruimte die onder punt a is beschreven.

Wat betreft de relaties tussen de ruimten die onderscheiden zijn kan opgemerkt worden dat de verschillende ruimten elkaar permanent beïnvloeden door alles wat daarbinnen gebeurt. Verruwing in het verkeer bijvoorbeeld levert de deelnemer aan het verkeer een andere beleving op en zet de overheid aan, na nieuwe gedachten over het gedrag in het verkeer te hebben ontwikkeld, tot het plaatsen of aanbrengen van nieuwe fysieke verkeerstekens etc. Dit alles mede in de hoop het aantal middelvinger opstekende, bumperklevende automobilisten etc. terug te brengen. De inrichting van fysieke ruimten bepaalt welke ervaringen en belevingen er kunnen worden opgedaan. De opgedane ervaringen en belevingen bepalen op hun beurt de grenzen van ons denken over de (inrichting van de) fysieke ruimten en de grenzen van ons denken over onze ervaringen.

Voorlopige conclusie en welke puzzels er beantwoord moeten worden:

De vraag of het publieke domein (nog) bestaat kan, in wettelijke en juridische zin, met ‘ja’ worden beantwoord voor zover het de fysieke ruimten aangaat en de ruimte waarin (verboden) gedachten, theorieën etc. bestaan. Hoe we nu verder moeten met ons vraagstuk nu we weten dat er een privé en een publiek domein te onderscheiden valt is bepaald niet gemakkelijk. Vragen hoe de publieke ruimte moet worden ingericht roept een fors aantal waarderingpuzzels en praktische puzzels op. De waarderingspuzzels hebben naast hun betrekking op de fysieke inrichting van de publieke ruimte ook betrekking op onze ervaringen en belevingen alsook op ons denken. Een concreet voorbeeld van zo’n waarderingspuzzel is: ‘Is het veiliger voor de bezoeker als er dranghekken op locatie x van voetbalclub y worden aangebracht?’. Deze waarderingspuzzel gaat over de kwaliteit van een bezoek aan een voetbalclub en leent zich voor verdere filosofische doordenking. Hierbij zullen ongetwijfeld kennispuzzels aan de orde komen die beantwoord moeten worden. Een voorbeeld is ‘Hoeveel bezoekers komen er naar de wedstrijd?’. Als denker zul je bij andere disciplines moeten aankloppen voor het verkrijgen van (wetenschappelijk aangetoonde) feiten. Een vraag als hoe het bijwonen van een voetbalwedstrijd beleefd wordt is voor filosofische overdenking minder interessant maar misschien des te boeiender voor een psycholoog. (De waardering van deze beleving kan wel weer verder worden doordacht en meegenomen worden in de beantwoording van andere puzzels.) Iets soortgelijks geldt voor een praktische puzzel als ‘Hoe sterk moeten de dranghekken zijn om ons doel te bereiken?’. De beantwoording van deze puzzel behoort eerder toe aan een ingenieur dan aan een filosoof.

Tot slot

Begrippen als ‘maatschappelijke verruwing’ en ‘verhuftering’ zijn zelf normatieve begrippen. Ze geven aan dat er sprake is van kwaliteitsverlies in de omgang tussen mensen en in de relatie tussen de mens en zijn omgeving. Een herbezinning lijkt daarom op z’n plaats. De roep om een nieuwe gedragscode en/of nieuwe omgangsvormen is hoorbaar. Het is hier niet de plaats om de volledige doordenking van deze kwesties te laten plaatsvinden, daarvoor is het onderwerp te veelomvattend en te ingewikkeld. De complexiteit wordt ook nog eens vergroot door het feit dat fysieke locaties en inrichtingen meer met elkaar verbonden worden door nieuwe communicatietechnologie zoals computers en mobiele telefoons. Maar een eerste start van de doordenking is in ieder geval gemaakt……..


Fatal error: Call to undefined function adrotate_group() in /home/p17385/domains/worldforthinkers.com/public_html/wp-content/themes/EarthlyTouch/single.php on line 57