Van filosoof tot filosofisch consulent

Van filosoof tot filosofisch consulent

Het filosofisch consulentschap blijkt in de praktijk allerlei gezichten aan te kunnen nemen. Gemeenschappelijk aan de verschillende filosofische consultatiepraktijken is dat de houders van deze praktijken mee willen denken met de mensen die zich melden in hun praktijk; mensen die ondersteuning zoeken bij het oplossen van de puzzels waarmee ze geconfronteerd worden in hun leven. De grondlegger van het filosofisch consulentschap volgens de Aristonide methodiek, Eite Veening, geeft in zijn handboek een verhelderende metafoor ten aanzien van de vraag wat een filosofisch consulent te bieden heeft:

“… er zijn heel veel mensen die thuis hun eigen maaltijden koken, soms ook voor anderen, voor gasten of familie. Maar daarmee zijn ze nog geen kok, geen ‘vak-koker’ of kook-deskundige. Ook zijn er heel veel mensen die achter hun eigen huis of in een volkstuintje tuinieren, maar daarmee zijn ze nog geen tuinman, gaan ‘vak-tuinier’.  … Zo is het ook met nadenken. Alle mensen denken wel eens na. Maar daarmee zijn ze nog geen denk-kundige, geen vak-denker. Filosofen zijn in onze maatschappij de vak-denkers; zij zijn mensen die studie gemaakt hebben van goed nadenken, die daarin getraind zijn en die dus werk maken van het nadenken: denkwerk. Zij kunnen als geen ander met anderen meedenken; zij zijn,  op grond van hun studie en scholing en training, de best mogelijke vak-meedenkers.” (Veening 2006, p. 10).

Voor de (ontologische) plaatsbepaling van het werkterrein van de filosofisch consulent wordt in de Aristonide methodiek uitgegaan van de driewereldentheorie (3Wt) van K. Popper (Popper 1972; 1977, p. 359; 1978, p. 223). Deze filosoof verdeelt alle entiteiten waaruit de werkelijkheid is opgebouwd in drie verzamelingen die hij werelden noemt. Zo treffen we in wereld 1 alle materiële (tastbare) objecten en krachten aan. Hierbij moet men denken aan huizen, tafels, stoelen, moleculen, atomen, zwaartekracht, kernkrachten etc. Kortom, zaken die tot de fysieke ‘buitenwereld’ behoren. In wereld 2 treft men alle mentale (subjectieve) zaken aan; zaken die tot de ‘binnenwereld’ van een mens of dier (of …) behoren. Voorbeelden hiervan zijn entiteiten als ervaringen, waarnemingen, gevoelens, belevingen, dromen en propositionele attitudes (= psychische handelingen. Deze zijn altijd ergens op gericht.). In wereld 3 zijn de abstracte (objectieve) entiteiten terug te vinden. Hier dienen zaken als getallen, theorieën, proposities (beweringen), concepten en ideeën onder geschaard te worden. Deze entiteiten behoren, evenals de entiteiten uit wereld 1, tot de ‘buitenwereld’. Mensen maken deel uit van alle drie de werelden; ze leven in alle drie de werelden. Immers, mensen zijn opgebouwd uit een lichaam, subjectieve mentale entititeiten en beschikken over abstracte concepten, theorieën, proposities etc.

Activiteiten van mensen kunnen gericht zijn op deelterreinen van de drie werelden. Het zal duidelijk zijn dat het werkterrein van bijv. koks zich bevindt in wereld 1. Dingen als pannen, lepels, zout, peper, recepten etc., die een kok gebruikt, zijn materieel en tastbaar. Hetzelfde geldt voor de tuinman. Activiteiten als het snoeien van planten en bomen, het verwijderen van dode takken etc. behoren volledig tot wereld 1. De psycholoog of psychiater richt zich, tijdens zijn beroepsuitoefening, voornamelijk op wereld 2. Mentale problemen, afwijkingen en ziekten, die door deze beroepsgroepen behandeld worden, zijn subjectief van aard en behoren als zodanig tot wereld 2. Het werkterrein van de filosoof en de filosofisch consulent bevindt zich binnen wereld 3. Zij houden zich beide op wijsgerige wijze bezig met abstracte dingen als concepten, theorieën, analyses en structuren; dingen die objectief zijn en onderdeel uitmaken van wereld 3.

Maar waarin onderscheidt de filosoof zich van de filosofisch consulent? Wat is het verschil in hun (ontologische) plaatsbepaling? Wanneer wordt een filosoof precies een filosofisch consulent? Beiden zijn toch bezig met na te denken over allerlei (abstracte) zaken. Om deze vragen te kunnen beantwoorden moet iets dieper ingegaan worden op de ontwikkeling van de driewereldentheorie zelf.

In de Revisies van de driewereldentheorie (3Wt-R1, 3Wt-R2) krijgen de drie werelden meer interne structuur door uit te gaan van deelverzamelingen, zogenoemde H-domeinen of ‘leefwerelden’. 1 Zo kent wereld 1 allerlei H1-domeinen, wereld 2 allerlei H2-domeinen en wereld 3 allerlei H3-domeinen. De interne structuur van de drie werelden onstaat dus door het bestaan van allerlei verschillende deelverzamelingen of ‘leefwerelden’ aan te nemen. Een mens is nu binnen de driewereldentheorie te beschouwen als de vereniging van een H1-domein, een H2-domein en een H3-domein; een vereniging dus van drie ‘leefwerelden’.

Tijd om wat concreter te worden. Alle fysieke entiteiten, zoals huizen, stoelen, tafels etc., die in uw leefomgeving aanwezig zijn, vormen tesamen een deelverzameling van wereld 1, uw H1-domein. Alle dromen, wensen, ervaringen, waarnemingen, propositionele attitudes etc., die de inhoud van uw psyche bepalen, vormen tesamen een deelverzameling van wereld 2. En op overeenkomstige wijze vormen de abstracte entiteiten, zoals bijvoorbeeld getallen en concepten waarover u beschikt, een deelverzameling van wereld 3. De vereniging van een leefwereld in wereld 1 (H1), een leefwereld in wereld 2 (H2) en een leefwereld in wereld 3 (H3) vormt dus een complete mens (De Vries 2009).

Nu kunnen we weer verder met de vraag waarin de filosoof zich van de filosofisch consulent (in ontologisch opzicht) onderscheidt?

Een filosofisch consulent is, om erkend te worden bij de Vereniging voor Filosofische Praktijken (VFP, http://www.verenigingfilosofischepraktijk.nl/), in eerste instantie een academisch geschoold filosoof. (Na de academische vorming volgen nog additionele cursussen of opleiding.) Een filosoof is als filosoof zijnde bezig om zijn leefwereld binnen wereld 3 op wijsgerige wijze te onderzoeken, aan te passen en/of uit te breiden. Immers, filosoferen is vaak een pure conceptuele aangelegenheid. Het uitvoeren van een conceptuele analyse is een abstracte kwestie en behoort dus tot wereld 3. De activiteiten van de filosofisch consulent komen wat dit betreft volledig overeen met de activiteiten van de filosoof.

Laten we ons, bij een nadere bepaling van het (ontologische) onderscheid tussen een filosoof en een filosofisch consulent, om te beginnen beperken tot de (meta-)ethiek. De propositionele attitudes van de filosoof, welke onderdeel uitmaken van zijn leefwereld binnen wereld 2, bepalen mede welke proposities (in wereld 3) behoren tot zijn (meta-)ethiek en als gerechtvaardigd worden beschouwd. 2 Moraliteit en ethiek zijn zaken die opgebouwd zijn uit zowel morele emoties (wereld 2), zogenoemde emotiemoralen, als uit rationele ethische overwegingen (wereld 3). 3 De opwaartse (van wereld 2 naar wereld 3) en neerwaartse (van wereld 3 naar wereld 2) interacties tussen de betrokken emoties en rationele afwegingen bepalen uiteindelijk welke propositionele attitudes binnen de leefwereld (wereld 2) van de filosoof vallen en hoe deze er precies uitzien. Dit alles geldt ook voor de filosofisch consulent.

Een klant is, evenals een filosoof, te beschouwen als een vereniging van een leefwereld binnen wereld 1 (H1-klant), een leefwereld binnen wereld 2 (H2-klant) en een leefwereld binnen wereld 3 (H3-klant). Een klant die bij een filosofisch consulent op bezoek komt heeft ‘onvrede’ (=waardering) met zijn leefwereld binnen wereld 3 als gevolg van puzzels die vragen om nadere doordenking. Niet dat de klant dat op deze wijze zal formuleren of hoeft te formuleren, maar toch ….. Ook kan er sprake zijn van een onbalans tussen de drie leefwerelden van de klant. Echter, zeer vaak betreft het zogenoemde ‘waarderingspuzzels’ (ethiek) waar klanten de filosofisch consulent voor bezoeken.

Welnu, wanneer een klant met zijn ‘waarderingspuzzels’ aan de slag gaat wordt hij in feite zelf ‘filosoof’. Een bezoek van een klant aan een filosofisch consulent komt neer op een bezoek van een ‘filosoof’ aan een ‘collega-filosoof’ (=filosofisch consulent). De ‘collega-filosoof’ staat tijdens het bezoek in dienst van de bezoekende ‘filosoof’ en houdt daardoor in strikte zin op filosoof te zijn; hij wordt filosofisch consulent. Maar valt er iets meer te zeggen over wat er precies gebeurt wanneer de ‘collega-filosoof’ in zijn attitude de stap maakt van het ‘filosoof-zijn’ naar het ‘filosofisch consulent-zijn’? Wat is het verschil tussen de (ontologische) plaatsbepaling van een filosoof en die van een filosofisch consulent, zo luidt de vraag nog steeds?

De houding van de filosofisch consulent is er één waarbij hij zijn kennis, kunde en vaardigheden, als wijsgerig specialist binnen wereld 3, in dienst stelt van de klant. De propositionele attitudes (wereld 2) ten aanzien van de (on)waarheid van kennisclaims, die de filosofisch consulent aanwendt bij het helpen oplossen van de kennis- en/of praktische puzzels van de klant, kunnen hierbij volledig in tact blijven. Het is goed verdedigbaar, hoewel de verdediging zelf hier achterwege zal blijven, dat een filosofisch consulent, ten aanzien van (praktische) kennis, een zogenoemde naturalistische houding aanneemt. Dit komt grofweg neer op een houding waarbij men tijdens het filosoferen zich laat leiden door de laatste wetenschappelijke stand van zaken. De filosofisch consulent laadt daarmee de plicht op zich om zijn leefwereld binnen wereld 3, wat betreft geconceptualiseerde wetenschappelijke en praktische kennis, op orde te houden. Althans indien hij de klant een goed en verantwoord consult wil bieden.

Alleen wat betreft waarderingen, waarderingspuzzels en kennisclaims van normatieve aard, het terrein van de (meta-)ethiek, gebeurt er iets specifieks tijdens het consult. Hierdoor krijgt het gesprek tussen een filosofisch consulent en een klant zijn eigen unieke karakter en kan het verschil tussen de (ontologische) plaatsbepaling van de filosoof en die van de filosofisch consulent gestalte krijgen.

De overgang van de rol van professionele vak-denker naar filosofisch consulent wordt gekenmerkt door de niet-vooringenomenheid die de filosofisch consulent aan de dag legt ten aanzien van opvattingen en ideeën op het gebied van de (meta-)ethiek. De opvattingen van de filosofisch consulent, in de hoedanigheid van filosoof, worden tijdelijk ‘uitgezet’. Zijn persoonlijke waarderingen als filosoof worden dus bewust geneutraliseerd waardoor de consulent, gedurende het consult, in basis de propositionele attitudes  (wereld 2) van de waardenrelativist heeft. 4 Alleen zo kan een klant maximaal profiteren van de expertise van een vak-denker. En alleen zo kan de klant de filosofisch consulent ‘gebruiken’ om zijn eigen leefwereld in wereld 3 (H3-klant) te onderzoeken en eventueel aan te passen. De klant ‘leest’ de (meta-)ethische kennis van de filosofisch consulent zonder gehinderd of beïnvloed te worden door de waarderingen van de filosofisch consulent (als filosoof). Uiteraard heeft de filosoof tijdens het ‘lezen’ van de (meta-)ethische kennis door de klant de kans het een en ander te structureren voor de klant en van kanttekeningen te voorzien. Daarnaast zorgt de neutralisatie van de persoonlijke waarderingen van de filosofisch consulent tijdens het consult ook voor een respectvolle houding van de consulent jegens de klant.

Conclusie: de overgang van filosoof (vak-denker) naar filosofisch consulent is te typeren als een tijdelijke wijziging van de propositionele attitudes (wereld 2), welke gericht zijn op proposities van (meta-)ethische aard (wereld 3). De persoonlijke (meta-)waarderingen van de filosofisch consulent worden geneutraliseerd gedurende het consult. Alleen zo kan een filosoof tot een filosofisch consulent verworden. Het doel van de neutralisatie is om een situatie tot stand te brengen waarin de kennis, kunde en vaardigheden van de filosofisch consulent maximaal in dienst gesteld kunnen worden van de klant. Dit alles in een respectvolle omgang met de klant tijdens het consult.

Literatuur

Popper, K.R. (1972) Objective Knowledge. An Evolutionary Approach, Oxford: Oxford University Press. (Revised Edition 1979.)

Popper, K.R. en Eccles, J.C. (1977) The Self and lts Brain, Berlijn: Springer.

Popper, K.R. (1978) Autobiografie, Utrecht: Spectrum. (Oorspronkelijke titel: Unended Quest, uitgegeven door Fontana/Collins.) Vertaald door Birner, J. en Vries de, R.

Veening, E.P. (1998) Over de Werkelijkheid van Drie Werelden, proefschrift, Wageningen: Ponsen & Looijen.

Veening, E.P. (2006) Klein handboek. Filosofische consultatie volgens de Aristonide methodiek, Groningen, uitgegeven door Stichting De Hoofdzaken. (Eerste druk 2002.)

Verplaetse, J. (2008) Het morele instinct: Over de natuurlijke oorsprong van onze moraal, Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.

Vries, A. de (2009) De Emergentie en Evolutie van Drie Werelden. Tweede Revisie van Poppers Driewereldentheorie, proefschrift, Enschede: Ipskamp Drukkers.

Status artikel: niet ‘peer reviewed’.

  1. De 3Wt-R1 is ontwikkeld door Eite Veening in zijn proefschrift Over de Werkelijkheid van Drie Werelden. Een pleidooi voor en een herziening van Poppers Driewereldentheorie (1998). De 3Wt-R2 is ontwikkeld door mijzelf in mijn proefschrift De Emergentie en Evolutie van Drie Werelden. Tweede Revisie van Poppers Driewereldentheorie (2009).
  2. De meta-ethiek is de discipline waarin de rechtvaardiging plaatsvindt van ethische systemen.
  3. Zie Het morele instinct. Over de natuurlijke oorsprong van onze moraal. (2008) van J. Verplaetse.
  4. De beroepsethiek van het filosofisch consulentschap, die tot de leefwereld (in wereld 3) van de filosofisch consulent behoort, blijft gedurende het consult uiteraard gewoon in tact. De filosofisch consulent dient zich nl. altijd te voegen naar de beroepscode.

Fatal error: Call to undefined function adrotate_group() in /home/p17385/domains/worldforthinkers.com/public_html/wp-content/themes/EarthlyTouch/single.php on line 57