Evolutionaire kenleer. Hoe de evolutietheorie de kenleer uit de impasse haalt.

Evolutionaire kenleer. Hoe de evolutietheorie de kenleer uit de impasse haalt.

Door dr. P. Slurink. Filosofie wordt dikwijls geassocieerd met kenleer. Ten onrechte. De kenleer heeft er dikwijls voor gezorgd dat filosofen niet aan hun filosofie toekwamen. In die zin is de kenleer de grote valstrik van de wijsbegeerte. Toch draait vooral de moderne filosofie (de filosofie sinds de zeventiende eeuw) om de kenleer, omdat moderne filosofen vaak een behoefte hadden om met een “schone lei” te beginnen. Het moest toch mogelijk zijn een beginpunt in de filosofie te vinden dat bestand was tegen de traditionele vooroordelen …?…

 

Kernvraag van de kenleer is: (Hoe) is kennis mogelijk? Dat wil zeggen: Is kennis mogelijk en zo ja, hoe? Zodra je beseft dat alles wat je beleeft en ziet een mentale film is, rijst de vraag: Kan de fantasmagorie in mijn geest overeenkomen met de gebeurtenissen in de ware wereld en hoe? Je kunt gerust zeggen dat de “kloof tussen ideeën en dingen” lange tijd één van de grote raadsels van de filosofie is geweest, hoe weinig dit probleem misschien leeft voor de gewone man of vrouw.

Toch betreft het hier een probleem dat nauw samenhangt met levensbeschouwelijke kwesties. Veel mensen geloven bijvoorbeeld in een ziel, die langer leeft dan hun lichaam. Dan is het probleem echter acuut waarom en hoe deze ziel via het lichaam rondzwerft en rondkijkt in de wereld. Maar ook als je niet gelooft in een dergelijke lichaamsonafhankelijke ziel, is er een probleem. Je ziet, voelt, hoort, ruikt de wereld immers “in je hoofd”, maar je hoofd zelf, je brein, is tegelijk een stuk wereld. Hoe kun je de wereld enerzijds “maken” in je brein, terwijl je brein zelf kennelijk tegelijkertijd niet door jezelf gemaakt is? Als natuurkundigen gelijk hebben en kleuren zijn slechts verschillende golflengten, waarom zien we dan eigenlijk kleuren? Is die wereld die je met je hersenen en zintuigen ziet, voelt, hoort, ruikt en die blijkens hallucinaties en dromen deels een product van je brein is, wel echt? Is het niet voorstelbaar dat alles een droom is?

Zintuigen versus verstand

 

In de geschiedenis van de westerse moderne filosofie sinds de zeventiende eeuw zijn er lange tijd twee stromingen tegenover elkaar komen te staan, die een antwoord probeerden te geven op dit soort vragen: het empirisme en het rationalisme. Het empirisme dacht een einde te maken aan allerlei vooroordelen en speculaties door te stellen dat alle echte, betrouwbare kennis voortkomt uit zintuiglijke waarnemingen. Zintuiglijke waarnemingen garanderen dat er werkelijk “contact” is tussen mijzelf en de dingen en dat ik dus niet droom. Kennis komt dus voort uit de waarneming.

Rationalisten claimden dat kennis juist een zaak van het verstand was. Je kunt nog zoveel zintuiglijke waarnemingen hebben, het is uiteindelijk toch het verstand dat beslist wat het moet geloven en wat niet. Bovendien zijn er een heleboel dingen die je nooit ziet en waarvan je toch moet geloven dat ze er zijn, zoals je eigen ziel, maar ook het feit dat we in een wereld leven van dingen die onderling op elkaar in werken door middel van krachten. Eigenlijk zie je dat namelijk nooit direct: je ziet wel kleuren en vormen, maar dat en hoe die samen dingen vormen zie je niet; je ziet wel opeenvolgingen van gebeurtenissen, maar dat er oorzakelijke verbanden in die opeenvolgingen zitten, zie je niet. Om de wereld überhaupt te zien zoals je hem ziet, heb je ideeën nodig, interpretaties. Kennis komt dus niet louter voort uit waarnemingen, maar uit oordelen.

Eigenlijk heeft de filosofie heel lang in een soort impasse gezeten, omdat er zowel voor het empirisme als voor het rationalisme veel te zeggen viel. Vandaar dat er zo nu en dan sprake was van een herhaling van zetten. Zo zijn er analogieën in de manieren waarop in de zeventiende eeuw de rationalist Leibniz reageerde op de empirist Locke en waarop in de achttiende eeuw de rationalist Kant reageerde op de empirist Hume. Binnen de twintigste eeuwse wetenschapsfilosofie doken er weer varianten van empirisme op toen de logisch positivisten claimden dat wetenschap vooral voort komt uit waarnemingen, waarop weer werd gereageerd met de claim dat wetenschap toch vooral bestaat uit modellen, die nooit rechtstreeks afleidbaar zijn uit waarnemingen. In principe kan dit soort gekibbel natuurlijk eindeloos voortgaan, zolang iedereen maar lang genoeg volhardt in zijn eenzijdige gezichtpunt.

In principe kunnen zowel het empirisme als het rationalisme de basis vormen van de meest absurde en fantastische wijsgerige noodsprongen en misbaksels. De empirist Berkeley bijvoorbeeld hield vol dat zijn het zelfde is als waargenomen worden (esse est percipi) en stelde dat de dingen achter onze rug blijven bestaan omdat God ze ziet. De rationalist Leibniz, een briljant man waarvan verschillende ideeën nog voort leven in de moderne wetenschap, geloofde dat God er van te voren zorg voor heeft gedragen dat onze ideeën en de dingen goed op elkaar zijn afgestemd. In feiten wordt in beide filosofieën God er bij zijn grijze baard bijgesleept om een probleem op te lossen, waarvoor nog geen oplossing in zicht was.

Kennistheoretische ontsnappingsroutes

 

Toch kan men over het algemeen stellen dat de empiristen het meest streefden naar verlichting en wetenschap (uitzonderingen zoals Berkeley daargelaten), terwijl de rationalisten dikwijls in de verleiding kwamen om via hun kritiek op een te smal empirisme terug te vallen op de vooroordelen en speculaties waarvan het empirisme de mensheid nu juist wilde zuiveren. Zo koppelt de befaamde Kant de wereld van de zintuiglijke indrukken, maar ook van de wetenschap, aan de “Erscheinung”, de wereld zoals ons verschijnt, terwijl zijn wereld “an sich”, de echte wereld verdacht veel lijkt op de wereld van de middeleeuwse gelovige met een vrije wil, een onsterfelijke ziel, en met een almachtige, goede God aan het hoofd. Het heeft er hier alle schijn van dat “kenkritiek” hier in feite een zeer geleerde en ingenieuze manier is om het geloof te redden… iets wat Kant ook met zoveel woorden toegeeft.

In feite is de kennisleer als kenkritiek dus dikwijls gemobiliseerd ter relativering van het sinds de zeventiende eeuw opkomend natuurwetenschappelijk wereldbeeld. De grote natuurkundige Isaac Newton voerde de aardse zwaartekracht terug op de algemene aantrekkingskracht tussen lichamen en liet zien dat hemellichamen dezelfde wetten gehoorzamen als aardse voorwerpen. Naarmate het duidelijker werd dat de alle fysische objecten gehoorzamen aan dezelfde wetten en dat ook de chemische samenstelling van voorwerpen hun eigenschappen verklaren rees het scenario op van een volkomen chemisch en mechanisch universum dat volledig voorspelbaar en berekenbaar moest zijn. Je kon kiezen voor dit scenario en mechanicistisch materialist worden, zoals bijvoorbeeld de achttiende eeuwse La Mettrie, of je kon een kentheoretische ontsnappingsroute opzetten, zoals Descartes, Leibniz, Kant en vele andere filosofen deden.

Deze kentheoretische ontsnappingsroute was ook wel een beetje gerechtvaardigd omdat het er nog niet naar uitzag dat het mechanicistisch wereldbeeld ook zou blijken te gelden voor levende wezens. Met recht stelt Kant in de achttiende eeuw dat het niet gauw zou lukken ook maar de groei van één grasspriet volgens volkomen mechanische wetten te verklaren. Organische processen als groei en de verandering van soorten vielen nog volledig buiten het wetenschappelijk wereldbeeld. Totdat er nieuwe geologen opstonden die het tijdbesef oprekten en totdat er steeds meer overblijfselen werden gevonden van voorwereldlijke monsters. Het idee dat ook soorten moeten kunnen veranderen drong zich op en uiteindelijk stelde Darwin zijn “mechanicistische” verklaring op: met een traagheid gelijk als die van geologische processen veranderen soorten omdat kleine verschillen in de eigenschappen van individuen leiden tot een verschillende representatie van deze eigenschappen in de volgende generatie.

De kloof tussen ideeën en dingen gedempt

 

Het ziet er naar uit dat het nog even duurt voordat alle filosofen dit zich realiseren, maar ik voorspel dat de Darwinistische evolutieleer in feite een einde maakt aan alle kentheorie-als-ontsnappingsroute en tegelijk een kader biedt voor een definitieve oplossing van de problemen van de kentheorie. Als de kennisleer namelijk gebruikt wordt als ontsnappingsroute profiteert zij er namelijk van dat het wetenschappelijk wereldbeeld heel lang nog geen adequate verklaring te bieden had voor het verschijnsel kennis zelf, en daarmee samenhangende verschijnselen als geest en bewustzijn. Er zijn dan allerlei dualistische oplossingen denkbaar: zo splitste Descartes de wereld al op in een wereld van uitgebreidheid, waarover de fysica bericht, en een wereld van de geest. Kant had het over de door onze kenvormen geconstitueerde fysische wereld van de “Erscheinung” contra de geestelijke werkelijkheid van het “an sich”. Als kennende wezens echter toetreden tot het natuurlijk domein dat door de natuurwetenschappen begrepen wordt, dan wordt deze kloof opgeheven: geestelijke wezens behoren tot de wereld van de uitgebreidheid, aan kennende wezens verschijnt één en dezelfde wereld alle verschillend, maar het blijft dezelfde fysische wereld waartoe ze behoren.

Vanuit het Darwinisme wordt het raadsel van de kloof tussen ideeën en dingen, tussen “Erscheinungen” en “Dinge an sich” opgelost. Mobiele organismen die zich beter kunnen oriënteren, doordat hun kenvermogen hen een adequater beeld van bepaalde aspecten van hun omgeving biedt, zijn beter aangepast aan hun milieu, worden wellicht iets minder vaak opgegeten dan hun soortgenoten en zijn beter in staat voedsel en partners te lokaliseren. Dergelijke organismen krijgen meer nakomelingen en dus geven zijn hun superieure kenvermogen door aan hun nageslacht. De kloof tussen voorstelling en wereld wordt hiermee dus gedicht door het Darwinistisch concept “aanpassing”. Er is nog steeds ruimte voor het idee dat subjectieve voorstellingen niet volledig aansluiten bij de werkelijke dingen en dus voor het verschil dat Locke maakte tussen primaire en secundaire eigenschappen en dat Kant maakte tussen Erscheinungen en Dinge an sich – maar niet langer geeft dit aanleiding te geloven in een dualisme tussen een fysische materiële wereld en een onafhankelijke wereld van kennis en geest die daar los van staat. Dit sluit ook aan bij onze alledaagse ervaring, waarin paarden zowel staarten hebben als een beperkt inzicht in meetkundige problemen en waarin kinderen zowel kleiner zijn dan volwassenen als ook een beperktere (maar niet minder intense) leefwereld hebben, enzovoort. Wat geest en kennis ook mogen zijn, er zijn geen dwingende redenen om ze buiten de normale orde der dingen, d.w.z. buiten de natuur te plaatsen.

Ervaren om te overleven

 

Daarmee verliest kennis tegelijk haar absolute status. Kennis is altijd een schematisering van wereldstructuren in een subject dat een bepaald standpunt inneemt en een bepaald “oplossend vermogen” heeft. Kennis van de wereld is ook altijd kennis in de wereld. De vraag van Pascal: “Hoe kan het deel het geheel begrijpen?”, moet dus tweeledig beantwoord worden: 1. als deel heb je juist een bijzonder gepriviligeerde toegang tot het geheel (net zoals binnen de christelijke leer de Vader Zoon moest worden om het menszijn aan den lijve te ondervinden); 2. een omvattende kennis van het geheel alsof het een eenvoudig en overzichtelijk deel is is onmogelijk of is alleen mogelijk door een schematisering waarin allerlei details verloren gaan.

De biologische oorsprong van kennis onthult ook haar praktische oorsprong. Organismen plaatsen hun ervaringen in oriënterende kaarten omdat ze adaptief moeten handelen op straffe van uitsterven. Een kaart die oneindig accuraat en gedetailleerd is, maar die leidt tot trage besluitvoering, is een kaart waarvan de eigenaar wordt opgegeten of de hongerdood sterft. Een simpele kaart waarin de belangrijkste doelen en gevaren duidelijk gemarkeerd staan en die vlugge reacties niet in de weg staat, kan van levensbelang zijn. Het is dus helemaal niet te verwachten dat het proces van selectie (de evolutie) leidt tot steeds méér kennis. Kennis is alleen iets waard als het kan worden omgezet in beslissingen die je honger en pakkans verminderen en je nageslacht doen toenemen. En waarschijnlijk is daarom althans de kennis van vogels en zoogdieren ervaring, bewust doorleefde en van emotionele waardebelevingen voorziene informatie.

Vanwaar die kooi van gevoelens die ons weliswaar genot, voldoening en geluk schenkt, maar ook honger, angst en wanhoop? Zonder emoties zouden informatieverwerkende levende wezens nog steeds zombies zijn, zonder prikkels om te handelen. Emoties kleuren de wereld van de niet louter reflexmatig reagerende levende wezens in als een wereld waarin ze bepaalde belangen en mogelijkheden hebben. Alleen door de wereld subjectief te beleven zie je wat de dingen en zaken erin voor jouw betekenen. Emoties maken complexe afwegingen mogelijk tussen een veelheid van opties in die wereld en branden belangrijke leermomenten vast in je geheugen. Emoties maken het ook mogelijk je in te leven in andere wezens, die hun belangen ook in de vorm van emoties beleven. Vanuit het ideaal van absolute, allesomvattende, allesdoordringende kennis zijn emoties misschien irrelevant, maar emotieloze kennis zou levende wezens blind maken voor hun eigen belangen. Ook de erkenning van dit feit past uitstekend binnen een evolutionair kader, dat ons in principe geen perspectiefloze, gevoelloze kennis doet verwachten.

 ————————–

Auteur: dr. P. Slurink (filosoof en promoveerde in 2002 met “Why some apes became humans; competition, consciousness, and culture”.).

Dit artikel is eerder verschenen in het blad Kunst en Wetenschap.

 


Fatal error: Call to undefined function adrotate_group() in /home/p17385/domains/worldforthinkers.com/public_html/wp-content/themes/EarthlyTouch/single.php on line 57